Lisa in LaLaLand

< Back to news

WhatsApp Image 2018-04-12 at 21.00.06

Press contact:
Lisa Gritter
contact@lisainlalaland.com

GLUREN

Op mijn vaste wandeling in de buurt kijk ik graag bij mensen naar binnen. Mensen begluren in hun natuurlijk habitat is een licht-fetisjistische hobby van me. Ergens voelt het niet helemaal juist, maar ik ken mijn sociale grenzen en kijk alleen daar waar het zicht zich aanbiedt. Open gordijnen vraag ik niet om, maar ik ben ze altijd dankbaar. Ik weet inmiddels, na drie jaar wandelen door de buurt, in welke straten ik het beste zicht heb en kies mijn route daar ook op uit. Ook het tijdstip is van belang. De optimale gluurtijd voor een voyeuristische wandeling is als de zon net ondergaat. In de schemering zijn de mensen nog niet bewust van de inkijk en zijn veel gordijnen nog wijd open.

Vroeger wilde ik altijd onzichtbaar zijn. De hoofdrolspeelster in mijn favoriete Tv-serie, ‘Lotte’, kon zich onzichtbaar maken door op haar navel te drukken. Zo een beetje heel 1988 drukte ik elke dag tevergeefs wel tien keer op mijn navel, onzichtbaar werd ik niet. Om toch in de buurt te komen klom ik vaak op mijn kledingkast. Daar verstopte ik me en als iemand mijn kamer binnenkwam zagen ze mij niet, dacht ik. Of ik klom uit mijn slaapkamerraam de dakgoot in en dan via het opgestapelde hout voor de kachel de tuin in. Als men dacht dat ik in mijn slaapkamer zat terwijl ik stiekem buiten was, leek dat toch ook een beetje op onzichtbaar.

Op mijn wandelingen komen de huizen als in een diaprojector voorbij. Kleine taferelen als mini-toneelstukjes of levende schilderijen. Ik kijk met stekende jaloezie naar grote woonkamers met prachtige interieurs en neem mezelf elke keer voor mijn huis nu ook eindelijk eens als een volwassen huis in te richten. Ik heb een koophuis, ik ben vijfendertig, die alles bij elkaar geraapte troep-look kan écht niet meer. Bij sommige ruiten moet ik tranen wegslikken van weemoed. Een vader die zijn dochter voorleest op de bank, een gezin aan de eettafel met een dampende pan in het midden.

Soms grijpt de iets me ongenadig naar mijn keel en voelt het alsof ik altijd alleen maar toekijk. Alsof iedereen levens leidt, werelden vormt, gezinnen sticht en ik alleen achterblijf, kijkend naar de bubbels om mij heen. Alsof het leven een flat is van glas en je in elk appartement bedrijvigheid ziet: stelletjes innig zoenend op de bank of ruzie makend in de keuken, een gezin aan het avondeten, een groep studenten die leunend tegen een muur van kratten bier al schreeuwend een voetbalwedstrijd kijkt, drie generaties vrouwen die in de keuken een traditionele maaltijd voorbereiden. En ik in mijn eentje in het donker op de bank met mijn voeten opgetrokken. In de gloed van een klein schemerlampje, voor dramatisch effect.

Eenzaamheid is een tergend langzaam virus en voor je het weet ben je ongeneselijk alleen.

Er is één raam waar ik liever niet naar binnen kijk. Daar ligt elke avond een vrouw onder een deken op de bank onder een felle tl-lamp niks te doen. Aan haar muren geen schilderijen of foto’s, nergens een plant, geen gekke ornamenten in het raamkozijn. Een treurige leegte waar zij de uren van haar leven lijkt weg te slijten zonder enig plezier. Het lijkt een liefdeloos huis waar niets gebeurt. Misschien is er wel nooit iemand geweest, behalve zijzelf. Heeft ze helemaal geen reden gevoeld om iets op te hangen, het gezellig te maken. Als er toch nooit iemand langskomt, waarom zou je dan ook?  Als niemand je ziet, besta je dan eigenlijk wel? Is onzichtbaarheid misschien toch een vloek in plaats van een zege?

Het leek mij altijd de allerbeste superpower. Welke domme koe kiest in godsnaam voor vliegen als je ook stiekem mee kan in elke bus, trein of vliegtuig én ongezien voorbij alle dichte deuren, hekken, muren en drempels kan kijken. Toch wilde ik niet onzichtbaar zijn om niet gezien te kunnen worden, maar juist om overal bij te kunnen zijn.

Er zijn van die dagen dat ik word overvallen door een allesomvattende angst. Wie ben ik zonder man, zonder kind, zonder tijdrovende carrière? Mijn dertig tikt gestaag richting veertig en om mij heen vullen woonkamers zich met gezinnen en volwassen interieurs en ik lijk er maar tussen te dwalen als een kip zonder kop. Of als een vijfendertigjarige vrouw die de passie voor haar werk steeds vaker niet vinden kan, al veel te lang niet verliefd is geweest en die naarstig op zoek is naar zingeving, maar geen idee heeft waar te zoeken. Als een kind in de Ikea die zijn ouders kwijt is en door het doolhof van systematisch opgestelde, perfect ogende Billy’s en Klippans niet meer weet wat links en rechts is, boven of onder.

Lisa wil graag worden opgehaald uit het ballenbad.

Ik begrijp best: ik ben verwend. Een witte vrouw met een baan, een koophuis, een gelukkige jeugd, veel vrienden. Er zijn vast veel mensen die bij mij naar binnen gluren en iets zien wat zij willen (op een niet-inbreker-achtige wijze). Mijn gevoel van eenzaamheid is irrationeel. Maar is het niet vaak meer een zielenpijn dan dat het daadwerkelijk alleen zijn is? Bestaat het niet bij de gratie van de aanwezigheid van juist veel andere mensen? Is het niet altijd een meting ten opzichte van wat je om je heen denkt te zien? Zijn we niet gewoon een hoop eenzame mensen bij elkaar, verwikkeld in een vermoeiende wedstrijd wie dit het allerbeste kan verbergen? Aan alle relaties lijkt geen vuiltje aan de lucht tot het ineens uit gaat en de beerput wordt opengegooid. Iedereen lijkt alles helemaal onder controle te hebben tot ze ineens overspannen thuis zitten en amper nog zonder hulp naar het toilet kunnen.

De kleine taferelen op mijn route zijn precies dat: taferelen uit grotere levens waar ik niets meer van weet dan dat ik van buitenaf kan zien.

Soms ben ik bang om alleen te eindigen onder een dekentje op de bank in een liefdeloos huis zonder kunst aan de muren. Maar vooral om me nooit helemaal thuis te voelen in mijn leven en altijd alleen maar van buitenaf naar binnen te gluren. En soms doe ik alle lichten aan en de gordijnen open, ga ik buiten staan en kijk ik bij mezelf naar binnen, naar alle kunst aan de muur, de foto’s, de planten, en dan denk ik: daar zou ik best graag willen wonen.